Het verhaal komt van Antoon Vissers uit Deurne met voorouders in Erp.
De beren van Erp
De meeste dorpen in Brabant hebben spotnamen. Natuurlijk Erp ook.
Al zijn ze daar, nog niet zo lang geleden, Vegelse kuuskes geworden, moet je dat tegen een Erpse niet zeggen.
Een echte inwoner van Erp wil liever een Erpse beer blijven, maar vraag je waaraan ze die naam te danken hebben, moeten meeste afhaken.
Meerdere hebben zich al met die vraag bezig gehouden, zoals Stephanus Hanenwinckel , predikant te Aarle die in zijn reisverslag in 1798 en 1799 over een Erpse bende schrijft die men de Beiren van Erp noemt.
Ook Sasse van Ysselt schrijft er over in Taxandria en heeft het dan over drie broers die men de Erpse beren noemden en die in de Meijerij de streek onveilig maakten. Ze zijn, zo schrijft hij, nog te bezichtigen als geraamten in de rariteitkamer in Den Bosch.
De Erpse beren hebben mij pas echt nieuwsgierig gemaakt toen ik ontdekte waar ze woonden. Dat was op den Dijk, een uithoek onder Erp, waar ook in dezelfde tijd Jan Aert Vissers, mijn verre voorouder woonde.
De drie gebroeders, “de beren” uit Erp waren bandieten die plunderden en roofden. Volgens mij zijn er toch meer dan drie beren geweest.
1. Wie zijn die beren?
In het midden van de 17e eeuw leefden er enige broers met de achternaam Hendrix. Ze kwamen van elders, waarschijnlijk verbannen uit het land van Ravenstein omgeving Oss, en in Erp neer gestreken.
Deze mannen waren in de Meijerij berucht vanwege hun schurkenstreken.
Je zou kunnen zeggen ze reden daar den beer en kwamen daarom aan hun bijnaam de beren van Erp.
We zullen deze beren eens een voor een onder de loep nemen.
Allereerst was er Jan Hendrix alias den Beir, gevangen in de Vuchterbinnenpoort of Kruispoort in Den Bosch, waarvan de rechter zei: “gevangene is een seer boosch en quaat en pernicceus mensch welcke ik om sijn quade feijten vuijt dievereijen op de gevangen poort heb geset.”
Uit het gerechtelijk dossier van Jan het volgende.
Op en zondag in de maand augustus van het jaar 1659 was de deurwaarder der staten van Brabant, Corstiaen Pels , in de herberg van Jan Huijbert Queens te Erp alwaar hij logeerde. In die herberg was ook Jan Hendrix alias den Beer die daar woorden had met Laurens Jansen de kleermaker van Erp over een wambas. Plotseling zag Jan ook Corstiaen Pels op een stoel bij de haart zitten. Jan herkende direct Corstiaans Pels uit de tijd dat hij in den Bosch gevangen zat. Pels is daar assistent geweest van de cipier en Jan riep: schelm, het is u schult, dat ick nijet utgebroocken en was want ghij brachtet ut. Vervolgens stortte hij zich op Corstiaen Pels, maar de kastelein voorkwam erger.
Jan wist dus dat de deurwaarder in de herberg logeerde en ging later in de avond terug maar de deur was gesloten en iedereen was al naar bed. Hij heeft toen buiten de herberg geroepen: waer is den schelm, ick sal hem den hals afsneijden, en: doe open de deure, ick wil daer binne sijn.
Vervolgens heeft Jan een ruit van de herberg ingeslagen.
Binnen gekomen moet hij de deurwaarder Corstiaen Pels met zijn mes gestoken hebben die zich toen zo bedreigd voelde dat hij het huis uitvluchtte.
Zijn belager kwam achter hem aan en bracht hem nog twee steken toe. Een diepe snee in zijn zij en nog een schampsteek in zijn andere.
Corstiaen Pels is daardoor in groot perijckel van sterven geweest, zoals ook chirurgijn Jan van Driel verklaarde.
Verder ook verklaringen van Antonius Ariens, een jonge man van 24 jaar uit Erp en Hendrick Jansen Corsten, 45 jaar, eveneens uit Erp die in de herberg waren toen Jan Hendrix den Beer zo te keer ging.
Vughterpoort
De tweede, Adriaen Henricx alias Beir, ca 18 jaar, geboren en nog wonende te Erp bij zijn moeder. Het is een zwerver, bedelaar en boerenhulpje . Heeft ook in de gevangenispoort van Den Bosch gezeten en daar berecht.
Heeft diverse inbraken en diefstallen gepleegd en bekent ook iemand te hebben vermoord. Daarvoor zal hij op een schavot: ten exempel met de coorde gestraft datter de doot naer volcht. Of zo we nu zeggen opgehangen.
Op 29-6-1663 is hij ook als eens ondervraagd door de hoogschout, toen hij samen met zijn broer Henrick in de gevangenpoort zat, maar ontkende toen zowat alles.
Vertelde ook nog dat hij met zijn broer in Weert in dienst is geweest.
De derde beer was Thijs Henriks, alias den Beir, 14 of 15 jaar, geboren Appeltern en woont bij zijn ouders in Beekse Donk.
Waarschijnlijk was dit geen broer van de vorige, maar behoorde wel bij de bende Erpse beren.
Thijs was voor de rechters spraakzamer en bekende dat hij bij het roven en plunderen op wacht moest staan terwijl de drie beren uit Erp inbraken.
De beren verschaften zich toegang door met een ploegijzer een gat in de muur te slaan . Uit het huis stelen ze dan diverse goederen vooral kleren en linnengoed.
Twee weken geleden is Thijs nog met de drie beren in Nuenen geweest en bij de secretaris aldaar ingebroken, terwijl hij weer op wacht stond. Vier dagen geleden waren ze in Rooij (St. Oedenrode) en hebben daar een lakenwinkel beroofd. Het gestolen goed hebben ze mee naar Erp genomen en daar verkocht aan een zekere Willems die vlak bij de kerk woont.
Thijs loog eerst voor de rechtbank voor deze laatste actie een rijksdaalder gekregen te hebben. Toen de rechter echter bleef doorvragen bekende hij dat het vier rijksdaalders waren.
Tenslotte gaf Thijs ook toe drie weken geleden, ook met de drie beren van Erp, in Schijndel geweest te zijn. Op dezelfde manier daar koperen ketels en linnengoed gestolen.
De vierde beer heette Henrik Henrix, ca 14 jaar, broer van de eerste twee en ook wonende te Erp bij zijn moeder. Vader zou in Osch wonen.
Hij is samen met zijn broer Ariaen thuis in Erp van bed gelicht en gevangen gezet in de poort te ‘s-Hertogenbosch.
Hendrik bekend dat hij een zekere Thijs Henricx in Erp dikwijls heeft zien bedelen.
Of dat familie is heb ik niet kunnen ontdekken.
Dan is er nog een vijfde Erpse beer die niet bij de bende hoorde maar wel als Erpse beer bekend was Geerit Henricx alias Beir.
Deze beer is vermoord. Hij is doodgestoken door de nadien voortvluchtige Leenaert Geerit Henricx van Dommelen, jonge man uit Erp. Of ze de moordenaar te pakken hebben gekregen werd niet vermeld.
Wel moet den beer goed geraakt zijn wat blijkt uit het volgende.
Leenaert heeft te Beeck bij Aerle, soodanich gesteecken ende gequetst, dat Geerit Henricx heeft ontfangen twee wonden. De eene sijnde zeer groot ende grouwelijck aen de rechterzijde affgaende beneffens des rechteres arm int oxele desselfs erm en de andere sijnde eene snede inde wang ende des stensichts ter slincker sijde.
Sulcx oock dat deselve Geertit Henricx alias Beir des selves dage daer van aldaer is comen te sterven.
Of hij ook een broer geweest is van Jan, Henrik en Adriaen Henrix heb ik niet kunnen vinden, maar het zou best familie kunnen zijn.
2. Slachtoffers van de Erpse beren.
Waar geplunderd wordt zijn slachtoffers.
Natuurlijk komen deze graag in Den Bosch getuigen, ze willen immers van deze beren bevrijd worden.
Hieronder volgen enige getuigenissen van slachtoffers.
1. Sebastiaen de Poortere, omtrent 33 jaar, uit St. Oedenrode waar hij een lakenwinkel heeft verklaard dat elf of twaalf dagen geleden, uit zijn huis gestolen is enig tin, wollen en linnen lakens. Dat er aan de straat nog een stoffenwinkel is waar Judith de weduwe van Jan van Heretum in woont en dan zijn er nog de winkels van van Jan Delissen en Willem Arien de Ruijter.
2. Mattheus Matthiissen [Smits], 19 jaar (of 29) uit Schijndel.
Bij hem is drie tot vier weken geleden, precies weet hij dit niet meer, ook gestolen. De dieven zijn door de muur gebroken en mee genomen een koperen koeketel en enig lijnwaet.
Uit het huis van Dielis Janssen in het Wijbosch is bij nacht ook koperwerk en lijndegaren gestolen, zo heeft Mattheus horen zeggen.
Ook weet hij dat drie weken geleden bij de weduwe van Ariaen Janssen van Boerdonck te Schijndel in de nacht een rock van haar is gestolen en ook lijnwaet, maar niet weet wie dat gedaan heeft.
Als er gevraagd wordt aan Matteus of hij Thijs Henricx van de Beeckse Donck kent en de andere drie ze de beiren van Erp noemen, antwoordt hij er wel gehoord heeft en dat ze quaet deden en staelen.
3. Delis Jan Peeters, teulman te Schijndel, omtrent 33 jaar, verklaard dat drie weken geleden bij hem een grote koeketel van ca 10 pont is gestolen. Verder nog een wollen schort, een spelderuijen lijneren coorensaeck en kinderlijnwaad.
Vroeg opgestaan merkte Delis dat zijn achter,- en zijdeur openstonden en zijn kast met geweld was opengebroken.
4. Merieken, weduwe van Arien Janssen van Boerdonck, omtrent 50 jaar, wonende in Wijbosch onder Schijndel zegt dat uit haar huis zo’n drie weken geleden een grote koperen koeketel, van tien kannen groot, is gestolen. Ze weet niet wie dat gedaan heeft. Eerder zijn bij haar ook twee ijzeren halsters en een gareel van het paard gestolen. Afgelopen pinksteren zijn er in de nacht ook dieven in haar huis geweest, volk wat zij niet kende. Of het dezelfde geweest waren kon ze niet zien omdat het donker was. Met geweld hebben ze van haar afgenomen haar coleuren laecken rock, met nog een gulden die in deze rok zat.
Deze rok had de weduwe om haar gekwetste arm gewonden en ze lag ermee op bed. Ook hebben de dieven nog een half brood meegenomen en een vork. Ze is van bed opgestaan en hard om hulp geroepen. De buren zijn toen te hulp geschoten, maar ontdekte alleen nog het gat in de muur waardoor de dieven gevlucht waren.
5. Cathalijn, huisvrouw van Shijsbert Willems van den Bogaert, wonende te Schijndel in het Wijbosch, oud omtrent 57 jaar.
In de nacht tussen de derde en de vierde mei 1663 is er uit haar eerden achterhuis een grote koperen koeketel gestolen. Ze vond de andere dag de deuren openstaan en de touwen waren ervan afgetrokken.
Gevraagd werd aan Cathalijn of het de beren van Erp en Thijs Henrickx van de Beeckse Donck geweest waren, maar die kende zij niet.
6. Corstiaen Wouter Corstens legt voor de schepenen van Nuenen en Gerwen ook een verklaring af. Corstiaen woont te Gerwen op de Nieuwendijck omtrent de Hoge Bergh.
Omstreeks Pinksteren laatstleden is er snachts bij hem ingebroken. De dieven zijn door een muerken tegen den kelder ingebroken. Er is boter gestolen. Ook een leeg olievaatje welke hij smorgens in een graefken terug vond.
Ook weet hij dat er in het klooster van Soeterbeeck verscheidene keren is ingebroken en drie weken geleden ook in Gerwen.
De beren van Erp worden hiervan verdacht.
3. De berenhuisplaats
Ik wilde gaan spreken, zo schrijft oud pastoor Meeuwese uit Erp, over oude, nog bewaarde of thans vergeten namen op de Dijk.
De Dijk is daar heel rijk arm, maar al dadelijk stoot ik op een naam, waar een heel belangrijke kwestie aan vastzit. Die naam is de berenhuisplaats. Hij zal ons antwoord kunnen geven op een voor Erpenaren zo gewichtige vraag: waar komt de naam 'Erpse Beren' vandaan?
Vooraan op de Dijk tussen de huizen van G. Vissers en J. v.d. Valk lag, zoals oude Erpsen zeiden: de 'Berenhausplats`. Op een oude kadasterkaart stond daar ook de naam Berenhuisplaats vermeld. Er lag daar vroeger bij 't begin van het zogenaamde Dorsent een eikenwal. Een groepje bomen op die wal noemde men het Berenbuske.
Daar heeft zich nu een volksverhaal aan vastgeknoopt, dat ik van meer dan één kant gehoord heb. Men vertelt dan, dat er in die wal grote holen waren. En berenleiders die in Erp waren komen wonen, hielden daarin hun heren. Overdag gingen ze daarmee de dorpen in de omtrek af en lieten ze dansen. 't Gewone kunstje dat men heren laat vertonen. Toch geloof ik niet, dat dit verhaal steekhoudend is.
De naam Berenhuisplaats wijst op een stuk grond, waar voorheen een huis stond, bewoond door een familie Beer of Beeren. Zo kan men in Erp talrijke huisplaatsen aanwijzen, naar families genoemd. Op de Dijk heeft men b.v. de Bossche huisplaats, waar vroeger Mat. v. d. Bosch gewoond heeft. 't Is niet mogelijk, dunkt me, dat men een berenstal of berenhol de 'Berenhuisplaats' genoemd heeft.
De overlevering waarover Van Sasse van Ysselt spreekt, dat de gebroeders uit den vreemde zijn gekomen, wordt door de Erpse stukken bevestigd. Als ze Erpsen van origine geweest waren, dan zou men hun naam ooit vinden in doop of trouwboeken of overlijdensregisters. Maar hun naam komt daar niet in voor.
Verder schrijft pastoor Meeuwese Eens vind ik de naam Beeren in een Lijst van schamele lieden van 1651, die door de H. Geest bedeeld werden. Daarin wordt genoemd: Catelijn Beeren. Dat kan een zuster van hen geweest zijn. Maar omdat de naam Beeren verder in Erpse stukken niet voorkomt, moeten ze wel uit den vreemde gekomen zijn, misschien in de XVIle eeuw. Daar Erp gelegen is op de uiterste grens der Meierij, en die uiterste grenzen vaak als woonplaats gekozen werden door hen, die de politie te duchten hadden, ligt het voor de hand, dat de Beeren uit het land van Ravenstein gekomen zijn.
In het archief te Veghel liggen de resultaten van een topografisch onderzoek van G. Barten. Deze Barten schrijft daarin over een perceel landt schietende opt Beereveltje en een perceel bosch het Beereveltje .
Verder heeft Barten het over de Berendsbeemd achter den Rooijacker
Allemaal topografische plekken die we moeten zoeken in de omgeving van den Dijk.
Al deze gegevens passen bij die van Pastoor Meuwese.
Natuurlijk is het dan nog een kleine stap om via het bevolkingsregister te vinden waar de berenhuisplaats moet liggen.
Tussen de huizen van Gerardus Vissers en J. v.d. Valk, in 1970 was dit Dijk A 17, nu Achterdijk, kadastraal perceel 26008 (zie kaartje)